Column archief
Yolan Witterholt is moeder, stiefmoeder, docent en auteur. Yolan schreef in 2006 het boek 'Kinderen Cadeau' (uitgeverij Spectrum). Daarin doet ze met veel humor op een eerlijke wijze verslag van haar ervaringen met het stiefmoederschap. Voor meer info: www.yolanwitterholt.nl.
Zoete inval
Een column van Yolan Witterholt, 15 februari 2008
Ik zou een leuke moeder zijn, nam ik mij voor toen de kinderen eenmaal begonnen te komen. Zo eentje waar alles kon en bij wie iedereen altijd welkom was. Vriendjes en vriendinnetjes mochten te allen tijde blijven eten en logeren en niets was te dol. Mijn kinderen zouden zich hun jeugd herinneren als een vrolijke en hartelijke boel. Dat dat inhoudt dat je soms met een sleep van tien kinderen van school naar huis gaat terwijl andere moeders lekker een boekje kunnen pakken, had ik ingecalculeerd. Dat niet al die kinderen bij me in de smaak zouden vallen, ook. Maar dat er ronduit vervelende portretten tussen zouden zitten die de kasten leeg trokken of een kind van mij zouden slaan: niet. En dat andermans kinderen veel viezer zijn als ze smakken of met open mond eten: ook niet. Maar ik hield stand, want een Leuke Moeder moet er wat voor over hebben. Iedereen die wilde blijven eten, mocht blijven eten. Desnoods haalden we snel even wat bij.
Ondanks al mijn leukheid indertijd, nemen mijn puberkinderen zelden tot nooit iemand mee naar huis. Liever gaan ze ergens anders heen. Waarom? Dat vraag ik ze natuurlijk, want het valt mij tegen. Alle investering in het Leuk Moederschap lijkt verloren moeite te zijn geweest. Want vertelde ik er niet altijd bij dat ik zo soepel was opdat ik het contact vast zou houden met mijn kroost? Dat ik later liever tien pubers op de bank had dan een rondzwervende zoon of dochter? Van die laatste categorie hebben we er nu zes in huis. Ze zijn vaak weg, we weten niet precies waarheen en ze nemen niemand mee. Omdat hier altijd zo veel kinderen zijn, zeggen ze, omdat iedereen zich hier altijd met iedereen bemoeit: privacy nul. Ik snap het wel, en eigenlijk vind ik het ook wel lekker, die rust. Zo lang ze maar weten dat ze altijd welkom zijn.
Maar nu belt mijn oudste dochter. Ze is nu bijna een jaar uit huis en woont inmiddels samen met een leuke jongen, die helemaal dol op haar is. "Hoi mam", zegt ze vrolijk in haar mobiel op zaterdagmiddag vijf uur, "is het goed als wij morgen komen eten?" Natuurlijk is dat goed, denk ik automatisch; hoef je niet eens te vragen. Je bent mijn kind. Maar dan gaan er kleine alarmbelletjes in mijn hoofd rinkelen. Lief kookt tegenwoordig en lief heeft morgen een druk programma, dus het eten voor de zondag is al klaar. Een grote pan bruinebonensoep staat op het fornuis en twee grote eters extra komt misschien wel niet uit. Ik zie bovendien een frons boven de ogen van mijn lief en dat betekent niet veel goeds. Hij houdt van overzicht en deze onverwachte aankondiging verstoort dat. "We eten bruinebonensoep", zeg ik haastig tegen mijn dochter, "en dat vind jij helemaal niet lekker! Kom gewoon gezellig langs na het eten: is dat niks?" Het is zaterdag, zij is met vriend op het voetbalveld en heeft natuurlijk geen eten in huis voor de zondag. Ik snap ook heus wel dat het verlangen naar moeders pappot is ingegeven door geldgebrek en geen zin in boodschappen doen. "Ze moet dit soort dingen eerder regelen! Dit kan niet! Zomaar aankondigen dat je komt eten zonder enig overleg! Dat heb ik nou al zo vaak gezegd!" verheft lief zijn stem. Mismoedig haal ik mijn schouders op en ik realiseer me dat mijn dochter hem gehoord heeft, als ik haar tegen haar vriendje hoor zeggen: "We kunnen morgen wel komen, maar we kunnen niet mee-eten." Het snijdt door mijn ziel. Altijd welkom zouden ze zijn, mijn kinderen. Altijd.
Mijn hart bloedt als ik opgehangen heb. "Dat vind ik zo vervelend aan je", zeg ik dan, "dat fanatisme van je en die hardnekkigheid bij zulke dingen." Hij kijkt geërgerd op: "Ik ga echt nu niet meer snel naar Albert Heijn om van alles bij te halen hoor!" Nee, dat weet ik. "Maar je zou het ook niet goed vinden als ik dat wél zou doen, en dat vind ik eerlijk gezegd belachelijk", zeg ik voor mijn doen uiterst kalm. "Het is mijn kind dat belt. Jij zou tegen een kind van jezelf nóóit zeggen dat hij niet mocht komen eten; nooit." Ik verwacht discussie en zit al klaar voor ruzie, maar hij blijft stil. Wel tien minuten lang. Dan zegt hij het: heel rustig en weloverwogen: "Daar heb je gelijk in; sorry." Er gaat direct een sms'je naar het voetbalveld: "We halen wel patat bij!"

