Column archief
Yolan Witterholt is moeder, stiefmoeder, docent en auteur. Yolan schreef in 2006 het boek 'Kinderen Cadeau' (uitgeverij Spectrum). Daarin doet ze met veel humor op een eerlijke wijze verslag van haar ervaringen met het stiefmoederschap. Voor meer info: www.yolanwitterholt.nl.
Terug
Een column van Yolan Witterholt, 15 april 2008
Mijn stiefkinderen zijn het probleem niet. Ze zijn mijn vlees en bloed niet, dus onuitstaanbaarheid of uiterlijke onvolkomenheden kan ik ze vrij gemakkelijk vergeven. Dat is prettig. Het zijn ook mijn genen niet, die ervoor zorgen dat ze falen of slagen, dus ik voel me er ook niet erg verantwoordelijk voor. Ze mogen er zijn, gewoon zoals ze zijn. Ik probeer ze niet wanhopig te vormen tot iets beters, zoals ik nog altijd met mijn eigen nakomelingen poog te doen. Eigen kinderen tonen de wereld jouw moederschap. Zijn ze wellevend, smaakvol gekleed en fietsen ze fluitend door hun schoolcarriere, dan is dat jouw verdienste. En zitten ze hele dagen onverzorgd en lamlendig achter een computer uit hun neus te vreten, dan doe je iets niet goed. Ze zijn je levende visitekaartjes. Zo niet je stiefkinderen. Gaat het goed met ze, dan doe je als stiefmoeder kennelijk niets verkeerd, en gaat er iets niet goed, dan valt er met het grootste gemak naar de echte moeder te wijzen. Dat stemt vrolijk. Stiefkinderen zijn goedbeschouwd ideale kinderen en verplichten tot weinig. Ik ben de vrijwilliger in hun leven en kan wat hen betreft dan ook amper ter verantwoording worden geroepen. Er is geen natuurwet die mij de plicht oplegt mijzelf voor hen weg te cijferen en alles wat ik voor ze doe, is dan ook alleen maar meegenomen. Dat snappen zij ook.
Het probleem zit 'em in hun vader. Vind ik althans. Want die snapt het nog steeds niet, van dat vrijwilligerswerk en die blijmoedigheid. En van visitekaartjes die de onze niet zijn. En daarom liggen we gemiddeld drie keer per jaar in scheiding. En nog veel vaker dan dat vliegen de verwijten over en weer. Hij trekt zijn kinderen voor, ik steun hem niet in zijn wens om alles te reguleren, ik trek mijn kinderen voor, ik neem hem niet serieus, hij mij niet, zijn kinderen doen stom, mijn kinderen doen nog stommer. En eens in de zoveel tijd roepen we omstandig dat we het 'gehad' hebben, en kondigen wij elkaar (meestal na ettelijke glazen wijn) in alle ernst een definitieve breuk aan. In een heftig verlangen om weer terug naar onszelf te kunnen. Hij weer naar zijn overgereguleerde zelf, zijn ijzeren discipline en regelmaat, het respect dat hij zo graag wil van de kinderen en ook naar de meligheid met zijn jongens. En ik weer lekker terug naar mijn eigen rotzooi, mijn irrationele buien waarin de ene keer alles mocht en de andere keer juist niets, mijn gebrek aan heldere regels, mijn schouderophalen, mijn lachen om de dingen. Vol heimwee denk ik aan de nachten die ik vulde met schrijven, aan de momenten waarop ik de pitten van het gasfornuis uitdraaide als er een vriendin belde (en ik naar de kinderen gebaarde dat ze maar brood moesten pakken), aan het dansen met de kinderen, het luidkeels zingen in de auto, aan onze 'strandtuin' in de stad. Het was mooi.
"Je kinderen zijn nu alleen geen zeven of acht meer", helpt mijn moeder mij fijntjes uit de droom. "Denk je dat die pubers nog met hun moeder willen dansen en dat die het nog pikken als jij van buien aan elkaar hangt?" Nee, eigenlijk niet. Vermoedelijk gaan ze voortdurend de hort op of zitten ze de hele avond boven, en ik altijd in mijn eentje beneden. Vermoedelijk gaan ze al snel op kamers, en verkommer ik dramatisch. De tijd terugdraaien gaat helemaal niet meer. Ik kan geen kleintjes meer van ze maken, en ik kan bovendien geen acht jaar stiefgezin uit ze halen of ontkennen. Pikken ze het na acht jaar verantwoorde regelmaat nog als er geen eten op tafel komt omdat ik vergeten ben boodschappen te doen? Zijn ze nog steeds bereid een zwembroek aan te trekken in plaats van een onderbroek als ik weer eens niet gewassen heb? En zijn mijn stiefjongens nog wel zo braaf als ze ooit waren? Heb ik ze niet juist geleerd voor zichzelf op te komen? Heb ik ze niet leren lachen om hun vader en heeft die vader inmiddels niet veel laten varen van al zijn orde en regelmaat? Terug naar af, is terug naar niks. En vooral: terug naar geen liefde.
Want die liefde komt gelukkig steeds weer, na elke ruzie en bij elke dreiging, volautomatisch naar boven drijven. "Tjonge wat ben jij lastig", lach ik opeens. "Je bent een draak", bromt hij goedmoedig. Ik krijg een zoen, en dan is het weer goed. Voor even.

